De praatjesmaker. Hij praat over de dingen die hij zou willen doen. Je hoort
hem beweren dat hij vierduizend schilderijen geschilderd heeft. Kent een heleboel
luitjes die voor belangrijk doorgaan en spreekt hun namen uit met overdreven
bewondering, de valse bewondering van iemand die niet weet waarover hij het
heeft. Hij is in Italië geweest, in Venetië, de Biënnale, Documenta,
die van Hoet, die van David, hij is een groot bewonderaar van dit soort spektakel-evenementen.
Hij gebruikt namen, omdat hij er zelf geen heeft. Is niet geïnteresseerd
in het werk van wie geen naam heeft. De praatjesmaker bestaat in talloze variaties.
Het is het halftalent dat zijn/haar ontbrekende helft invult met illuster en
illusoir discours./
De ambachtsman. Hij of zij is van nature tegengesteld aan bovenvermeld type,
maar net hierdoor is er een bizarre affiniteit, en ze hebben alvast 1 aspect
gemeen: het ontbreken van wat voor vorm van discours ook. Dit type heeft een
overdosis aan praktisch vernuft, en zit zonder andere invalshoek. Het metaforisch
aspect van het werk is vaak niet veel meer dan een truukje om het gebrek aan
inhoud te verdoezelen. Als subtype is het van toepassing op allerlei andere
types, mits we het dan over communicatie en inhoud hebben, zaken waar het de
ambachtsman niet om te doen is. Op inhoudelijk vlak, of, met andere woorden,
zodra zich een andere impuls voordoet dan het louter ambachtelijke, is er het
ritueel; de handeling zelf wordt materie./